| Ze worden al lekker bruin |
| Juni 2006 | |
![]() ![]() |
|
Twaalf
meter lager landde ik. Mijn wetsuit liep al snel vol
met het ijskoude rivierwater. Geen tijd om na te denken over de sprong.
Zodra
ik mijn koppie boven water stak kwam de oever al in hoog tempo voorbij
zetten.
Ik moest schuin tegen de stroming in zwemmen om het punt te bereiken
waar ik
aan wal kon. Dit kwam aardig snel dichterbij, en het zou niet lang meer
duren
voordat de stroming me er voorbij had gesleept. Met mijn eerste teug
adem kwam
een hoop rivierwater mee. Door de rugzak met touw die ik om had, lag ik
dieper
in het water dan normaal, en trok de stroming nog harder aan me.
Proestend bereikte
ik de eddy, waar bijna geen stroming meer is. Ik sleepte mezelf, en een
rugzak
vol met 60 meter nat touw en een restje rivierwater, aan wal. De
adrenaline
gierde nog door mijn lijf. Richard lachte me toe.
“Selección naturál”. Alle
mensen die hier durfden te springen zouden waarschijnlijk de rest van
de
Barranque del Infierno (canyon of hell) ook wel aandurven. Dat beloofde
wat.
We moesten eerst een bergkam oversteken, ongeveer 150 meter hoog. Na een korte pauze begonnen we aan de klim. We deden het rustig aan, om onderweg te kunnen genieten van het adembenemende uitzicht. We keken neer op de Noguera Pallaresa, die daar door een kloof stroomt. Naast de rivier kronkelt de grote weg die ook door Sort loopt. Verder naar het zuiden konden we de Lage Pyreneeën zien liggen. Het paadje was behoorlijk steil, en de zon deed ook zijn best. Gekleed in een nat wetsuit en met natte gympen aan een berg beklimmen is op zich al een hele ervaring. Na twintig minuten bereikten we een pad. Dit pad wordt door de Bombers (brandweer) gebruikt in het geval van bosbranden, of in geval van ongelukken. Nog 10 minuten later kondigde Richard aan dat we waren aangekomen bij het begin van de Barranque. In de Barranque was het al een stuk koeler. We liepen met onze voeten door het stroompje dat in de loop van eeuwen de rotsen heeft uitgeslepen, en zo de kloof heeft gevormd. Het was gelukkig niet glad, op de rotsen zat een sediment dat werkte als anti-slip. In het begin konden we nog gewoon wandelen, maar al snel werd het moeilijker gaan. Regelmatig moesten we sprongetjes van een halve meter maken, maar niets echt spannends. Totdat Richard stopte en om de rugzak vroeg. Voor ons viel het water een meter of tien naar beneden in een ondiepe poel. Met behulp van het touw en onze gordeltjes lieten wij ons naar beneden zakken. Nog een klein uurtje vervolgden wij op deze manier onze weg. Klauterend over de stenen, wadend door het water. Nog drie keer moest het touw eraan te pas komen, waarvan één afdaling van 30 meter in een grot. De landing daar was in een ondergronds meertje van anderhalve meter diep ijskoud water. Een keer landde Marlou midden tussen de plaatselijke fauna, te weten een grote spin, een hagedisje, en… een waterslang!
Ter afsluiting moest de rivier andermaal overgestoken worden, ditmaal zonder sprong. Via een paadje liepen we omhoog naar de weg, en terug naar de Mercedes. Een leuk middagje buitenspelen in de bergen zat er weer op!
Als we in Sort aan iemand uitleggen waar we wonen, namelijk in de grote straat boven café Frankfurt (vernoemd naar de worstjes), dan is de reactie steevast “¡aaah, la Embajada Chilena!” (de Chileense ambassade). Al een jaar of vier komen in de Zuid-Amerikaanse winter Chileense raft-gidsen naar Sort om op de rivier hun boterham te verdienen. Een enkeling, die hier al een paar jaar komt en inmiddels een goede naam heeft opgebouwd, krijgt een basissalaris van € 900,- per maand, van April tot en met September. Per keer dat ze de rivier afzakken krijgen ze dan nog € 35,- betaald. De meesten werken zwart en krijgen alleen per keer € 35,- en verder niets. Als je dan bedenkt er buiten het hoogseizoen de meeste weken alleen in het weekeinde drie à vier keer werk is, kun je je voorstellen dat het geen vetpot is. Er moet immers ook een vliegticket terugverdiend worden. Toch trekt de rivier en het buitenleven, maar vooral de harde westerse euro’s ze ieder jaar weer van huis en haard naar Spanje, familie en vrienden achterlatend.
Wij wonen in een appartement met 6 van deze Chilenen, vandaar de bijnaam: “Embajada Chilena”. De stamvader is Richard, een van de eersten die hier in Sort als raft-gids aan de slag ging. Toen hij kwam hadden de Chilenen een slechte naam. Er waren wat spullen ontvreemd, en de arbeidsmoraal was “mas o menos”. Toen er meer Chilenen naar Sort kwamen om te werken in de Chileense winter, werden er harde afspraken gemaakt. Zorg dat je op tijd bent, zorg dat je er netjes bijloopt, en beleefd bent, en zorg dat je je werk goed doet. Inmiddels hebben de Chilenen een goede naam opgebouwd en hebben ze zich een vaste plaats veroverd in de raftwereld van Sort.
In de “Embajada Chilena” zijn in de loop der tijd wat leefregels ontstaan. Niets ernstigs hoor. Zo is er een schoonmaakrooster en met z’n zevenen kom je dan op 1 dag per week per persoon uit. Die dag heb jij de “toque”. Dit is van 22.00 tot 22.00. Afwassen (gelukkig hebben we een afwasborstel gevonden en hoeft het niet meer met een schuursponsje), vegen (de door ons meegebrachte stofzuiger wordt niet gebruikt) en dweilen (langzaam zijn we allesreiniger aan het introduceren in plaats van chloor) van de gezamenlijke ruimtes hoort daarbij. Ach ja en dan heeft iedereen zo z’n eigen normen en waarden over wat schoonmaken is…..
Koken is een verhaal apart. Dat hoort niet bij je “toque”. Het ontbijtgebeuren is een beetje ieder voor zich. Om een uurtje of drie wordt er warm gegeten en ’s avonds om een uur of tien weer (op zijn vroegst!). Tja dat is wat anders dan om 6 uur de piepers op tafel of met een bak chinees naar Studio Sport kijken. Dat was (is) dus wel even wennen voor ons. Langzaam komen we in het ritme. Wie er zin heeft kookt en dat betekent dat er dus niet altijd eten is behalve als je gewoon zelf kookt! Maar soms krijgt iemand een bevlieging en dan staat er een heerlijke (Chileense) maaltijd op tafel.
Alle bonnetjes van de boodschappen voor eten en andere spullen voor het huis worden in een grote pot gedaan. Iedere twee weken wordt de rekenmachine tevoorschijn gehaald, en wordt de schade per persoon berekend. Die komt neer op zo’n € 30,- de man per week. Aangezien wij vaker dan de anderen boodschappen doen, krijgen wij dan een hoop centjes terug.
Zoals al eerder vermeld is Richard de stamvader van “onze” Chilenen. Marlou heeft hem leren kennen toen ze in Chili samen de cursus voor raft-gids volgden. Richard heeft 4 zomers gewerkt in Sort, bij “Rubber River”(www.rubberriver.com). Een winter is hij “overgebleven” en heeft hij in Asturia alle klusjes aangepakt die hij maar kon krijgen. Dat najaar was hij ook 2 maanden in Nederland om bij Marlou op zijn nieuwe bril van Specsavers te wachten en om wat klussen te doen. Dit jaar wil hij ook weer overwinteren in Spanje, om zo geld te kunnen sparen om in Chili een eigen bedrijfje te kunnen starten.
Richard weegt 110 kilo schoon aan de haak en is 29 jaar oud. Vrijgezel, sterk karakter, betrouwbaar, soms wat zwaarmoedig maar meestal vrolijk. Wordt ook wel Richie genoemd.
Kwam in hetzelfde jaar als Richard voor de eerste keer naar Spanje vanuit Chili. Woont dus ook al weer voor het 3de jaar in dit huis. Heeft samen met Richard de naam van de Chilenen opgekrikt en werkt als raft-gids bij Turisnat (www.turisnat.com) als “opperhoofd”. Waar hij voorgaande zomers hard werkte, veel dronk en dan ’s avonds op de bank in de huiskamer in slaap viel, waarna dan zijn nagels in alle kleuren van de regenboog werden geschilderd (dat is nu eenmaal een afspraak in dit huis), is hij nu aan het veranderen in een lief vriendje van zijn uit Chili meegenomen vriendinnetje Valeria.
Camilo is een blonde met blauwe ogen Chileen en is 28 jaar oud. Komt rustig over maar als hij aangeschoten is kan je hard met en om hem lachen. Wordt door zijn vriendinnetje ook wel Milo en Amor genoemd.
Een schat van een jongen die dit jaar voor het eerst in Europa is. Is met Camilo meegekomen om als raft-gids te werken bij het bedrijf van Camilo. Werkt daar op freelance-basis en is dus ook beschikbaar voor andere bedrijven.
Jimmy is half Schots en is bezig met papieren voor een dubbele nationaliteit zodat hij legaal in Europa kan wonen en werken. Deze winter blijft hij ook in Spanje maar dan in het zuiden , waar hij al werk heeft geregeld in een bibliotheek.
Jimmy is 31 Jaar, heeft lange donkere lokken en heeft in het begin behoorlijk de kat uit de boom zitten kijken. Inmiddels heeft hij zijn draai gevonden, is gewend aan alles en iedereen, en staat open om van alles te leren. Hij is een van de weinigen die echt iets te vertellen heeft. Jimmy is vrijgezel EN is op zoek naar een leuk meisje. Helaas is zijn Schots oftewel Engels niet zo vloeiend maar voor degenen die Spaans willen leren…….. Hij houdt ernstig van schoonmaken en doet dan ook regelmatig iets extra’s. Hij wordt ook wel Jim, Hunter of Jimmy Hendrikx genoemd.
Roberto is Bernard z’n grote vriend, althans dat heeft Roberto er van gemaakt. Roberto is ook voor het eerst in Europa. Het is de zoon van een vriend van Richard z’n vader. Richard heeft hem op verzoek van zijn vader “meegenomen” naar Spanje. Roberto werkt als freelancer bij Richard’s bedrijf. Hij is behoorlijk sportief, hardloopt vaak, en gaat een keer in de week volleyballen en een keer in de week voetballen. Volgens eigen zeggen is hij keeper geweest in de hoogste Chileense divisie, maar daar weet verder niemand iets van. Sinds 1 maand is hij begonnen met nog meer sporten om af te vallen en weer in vorm te raken. Dit betekent dat hij niet meer met de pot mee-eet, maar zijn eigen plankje in de koelkast heeft waarop blikjes tonijn, tomaten en bananen liggen. Daarnaast bestaat zijn “voeding” uit de gehele dag blowen……
Roberto is alweer 36 jaar, nog steeds vrijgezel en altijd bezig met de meisjes op straat. Het maakt niet uit hoe oud (of liever jong). Hij zegt zelf te verlegen te zijn om een praatje met ze te maken, wij denken dat hij ook niet zo goed kan inschatten waar het gemiddelde (Spaanse) meisje over wil praten. Roberto heeft het namelijk om de anderhalve zin over seks. O ja, bijna vergeten hij word “El Perro Negro” (de zwarte hond) genoemd, of “Perro”. Dit stamt uit zijn jeugd, reden onbekend.
Toen Nederland moest spelen tegen Ivoorkust, togen wij dan
ook naar de Coyote om de wedstrijd te kijken. Toen de wedstrijd 10 minuten oud
was, kwamen er twee jongens binnen waarvan er een het officiële thuistenue van
Nederland droeg. Hiermee kwam het aantal aanwezige Hollanders op 4. Aangezien
onze Chilenen Nederland geadopteerd hebben als favoriet, omdat Chili niet
meedoet, was er een aardige oranje aanhang. Toen Marlou ook nog ballonnenhoeden
ging maken werd de stemming helemaal opperbest.
Een aanwezige Afrikaan, waarvan
niet helemaal duidelijk was of hij echt uit Ivoorkust kwam, kreeg een oranje
wit groen gouden hoed. Ook José en zijn vrouw moesten aan de oranje hoed.
De aanwezige kroegtijgers keken hun ogen uit, en hadden die avond thuis heel wat te vertellen. Een opdringerige man heeft zelfs de Ivoriaanse hoed en de hoed van de vrouw van José (met een hele exotische naam die ik vergeten ben) meegenomen. De wedstrijd werd gewonnen, en tevreden keerden wij huiswaarts. Op naar de tweede ronde, vast weer in de Coyote.
De zoektocht naar een eigen huis, waar we kunnen wonen, maar vooral waar we ons brood (met beleg) mee kunnen verdienen gaat onverminderd voort. Tijd voor een update:
Maar Marco zong het al, en deze droom lijkt ook niet zomaar uit te komen. Het probleem is, dat de Engelsen, van wie de watermolen is, wel een sloopvergunning hebben voor het slopen van het oude gebouw, maar geen bouwvergunning voor de nieuwbouw. Om die vergunning te krijgen moet het huis staan in een urbane zone, dat wil zeggen ín een dorpje. De overheid heeft liever niet dat iedereen met een beetje geld een oude stal buiten een dorpje koopt, deze opknapt en daar gaat wonen. Alle stallen, en daarmee alle beesten en dus ook het boerenleven, zouden dan verdwijnen uit het landschap, en het grote schrikbeeld van de Catalanen is dat de Pyreneeën veranderen in een soort Costa Brava. We hebben zelf geïnformeerd of de watermolen te legaliseren is. Een van de grootste problemen is, dat om een vergunning te krijgen om ergens te wonen, je toestemming moet hebben van het waterschap. Men is bang voor “torrentes”, ofwel vloedgolven. Als in de lente het smeltwater naar beneden komt, eventueel aangevuld met een flinke stortbui, dan kan een lieflijk kabbelend beekje wel eens veranderen in een vloedgolf die alles en iedereen meesleept. Omdat de molen in een vallei, naast een riviertje staat, kon dat dus wel eens moeilijk worden. Een ander probleem is, dat de Engelsen pas het traject voor legalisering in willen gaan als iemand een voorlopig koopcontract tekent. Dit omdat het legaliseren nogal duur is, en als het huis eenmaal is gelegaliseerd, de legalisering weer vervalt als er niemand daadwerkelijk woont. Weliswaar wordt in het contract opgenomen dat de koop ontbonden wordt indien het huis niet te legaliseren is, maar dat traject duurt minimaal een jaar, en waarschijnlijk wel langer. In de tussentijd kunnen wij niet verder kijken. Al met al hebben wij de hoop een beetje opgegeven.
De locatie is aardig, en met wat verbouwen kan het wel wat worden. Het is alleen wat aan de kleine kant. Marlou werd ook meteen verliefd op de hondjes die in twee hokken aan de achterkant van het gebouw wonen. Helaas bleek later bij navraag dat alles tussen de weg en de rivier buiten de urbane zone viel, en je er dus niet mag wonen. Toen we weer terugliepen, we hadden de fietsen in het dorp aan de brug gebonden, viel ons oog op een aantal gebouwtjes aan de overkant van de weg. Wat het ooit geweest was, was niet helemaal duidelijk, maar wat wel duidelijk was, was dat ze al lange tijd niet gebruikt waren. In onze overactieve verbeelding veranderden ze al snel in een aantal aangepaste bungalowtjes. Ook wijzelf hadden een prima woning. Onder de bomen was het prima toeven rond het kampvuur, en zag ik daar ook een zwembad? Ook de ezels hadden een mooi plekje. Bij navraag bleek dat het terrein uit twee gedeeltes bestaat. Het ene deel met de gebouwtjes was onlangs gekocht door (waarschijnlijk) de eigenaar van een groot bouwmaterialenbedrijf, voor zijn dochter, die architect is. Het andere deel was aangekocht door een grote projectontwikkelaar, ongetwijfeld om weer zo’n prachtig appartementencomplex neer te knallen. Het verhaal was dat ze het samen niet eens konden worden over wat ermee te doen, en afzonderlijk zijn de perceeltjes te klein. Dit omdat er bouwregels zijn die stellen dat het totale vloeroppervlak van je gebouw maximaal een bepaald percentage van het oppervlak van het perceel mag bedragen. Voor ons geen probleem, maar voor een beetje appartementencomplex….
We moeten nog een keer bellen met de architecte, om te kijken wat de mogelijkheden zijn, maar daar zijn we tot op heden niet aan toegekomen. Wordt wellicht vervolgt.
Peramea is een prachtig dorpje, dat boven Gerri de la Sal ligt, op een hoogvlakte op een kleine 900 meter hoogte. Rond het dorp liggen landerijen met redelijk grootschalige landbouw en veeteelt. Peramea is volgens de mensen hier “una des pueblos mas sano”, een gezond dorpje dus.
Toen wij aan kwamen rijden logenstrafte het aantal hijskranen en het aantal huizen waar duidelijk aan gebouwd werd het verhaal dat het grotendeels leeg zou staan. Het blijkt dat in de meeste dorpen al een hoop is opgekocht door Barcelonezen die daar een tweede huis willen. Toch maar eens nagevraagd in het plaatselijke café. Op het terras hadden we uitzicht op het dorpsplein, met een oude wasplaats, een drinkbak voor de dieren en een monumentale boom. De schoolbus was net gestopt, en had drie kindjes uitgeladen, die meteen het café in renden.
Naast het terras werd, zoals op wel meer plekken in het dorp, druk gebouwd. Onder het genot van een ijsje en een plaatselijk schapen-yoghurtje met honing werd ons verteld dat er een groot huis te koop zou zijn. Een bouwvakker die net zijn lunch op had nam ons mee en liet zien waar het was. Het was een behoorlijke bouwval ,maar daar schrikken wij inmiddels niet meer van. Het was wel behoorlijk groot, en de prijs die de mevrouw van het café noemde was ook haalbaar. Er hing een bord met een telefoonnummer, maar daar nam niemand op. Later nog maar eens proberen. Op de weg terug naar de auto liepen wij langs een aantal stallen die in een bocht van de weg lagen, met uitzicht op de vallei. De stallen leken niet in gebruik, op een na, waar wat honden in wonen. Nog maar weer eens een praatje met de mevrouw van het café, en de stallen blijken van de Alcalde, de burgemeester, te zijn. Hij was aan het werk op zijn land, 10 minuten die kant op lopen en dan maar vragen naar Xavier. Hij had een rode tractor. We zijn een eindje gaan lopen, maar hebben de burgemeester niet gevonden. We zagen in de verte wel een rode tractor, maar ja. Er kwam een behoorlijke onweersbui aan, en dus zijn we maar weer naar huis gereden. Na een paar dagen bellen kregen we de makelaar van het grote huis te pakken. De prijs die zij noemde was wel behoorlijk wat hoger dan dat we van de mevrouw van het café hadden gehoord, maar we hebben toch maar een afspraak gemaakt. Op een mooie zaterdag gingen we op weg. De eigenaar was met de makelaar meegekomen, en vertelde vol vuur over zijn oude boerenbedrijf. Het huis was van begin voige eeuw, en er zaten prachtige details in. Een paar prachtige houten deuren, een mooi smeedijzeren traphek, en een mooie kamer met een handgeschilderd art-nouveau motief. En een put waar het hemelwater in werd opgevangen, voor de beesten. Verder was het huis in verschrikkelijke staat. Overal lag troep, en een helft van het huis was kompleet ingestort
De eigenaar vertelde ons dat het al 40 jaar leegstond. De makelaar was een mevrouw uit Barcelona, die voor het eerst in deze streek wat verkocht, en kon ons niet veel wijzer maken over wat het zou kosten om een en ander weer op te knappen. Ze bevestigde wel mijn vermoeden dat het op zijn minst € 100.000 zou kosten, en het dubbele zou haar ook niet verbazen. Het huis zelf moest dan ook nog eens € 334.800 kosten. Al met al een beetje te veel voor onze begroting. We probeerden nog te appelleren aan zijn naastenliefde door vol vuur ons plan over een vakantieparadijs voor gehandicapten te vertellen, maar daar kregen we nog geen euro korting mee. Hij vertelde in plaats daarvan een verhaal over een hele kleine stal, zonder elektra en riool en ramen, die laatst voor een idioot bedrag was verkocht. Dan moest hij dit ook kunnen vangen. Het stond ons natuurlijk vrij om een lager bod te doen. Toen we het terrein bekeken dat bij het huis hoort, liepen we langs de eerder genoemde stallen, en daar was het een drukte van belang. Kennelijk gebeurt daar wel het een en ander. Helaas konden we de mensen niet aanschieten omdat we met een bezichtiging bezig waren. Toen we later terugkwamen waren ze al weg. Met een tollend hoofd vol berekeningen over financiele haalbaarheid, en hoeveel kemers en hoe in te richten en wie zou gaan verbouwen en, en, en, en, en, en, verlieten wij Peramea. Wordt vervolgt?
Een van de vaste gasten van la Embajada Chilena is Ceci, voluit Cecilia. Ceci is Argentijnse, en is meestal het vriendinnetje van Xavi, een Catalaanse jongen die ook stamgast is in de Embajada. Ik zeg meestal, omdat het in de loop der tijd wel eens uitging en dan weer aan en dan weer uit, maar nu is het weer aan. De broer van Ceci woont ook in Sort, is getrouwd, en heeft 2 kinderen, een meisje van twee en een jongetje van negen maanden. Ze heeft wijnbouwkunde gestudeerd, maar daar is in Sort geen droog brood mee te verdienen. Verder heeft ze in het hotel van Rubber River gewerkt, en de laatste tijd geeft ze computerlessen. Ceci is hier gekomen met een vliegticket met een open retourdatum. Dat ticket zou binnenkort verlopen, en toen stond ze voor een moeilijke keuze. In Sort blijven, bij haar broer, schoonzus, neefje en nichtje en natuurlijk Xavi, of terug naar haar vaderland, haar ouders en de rest van haar familie. In Sort kan ze een aardige boterham verdienen met een baantje hier en een baantje daar, maar echt toekomst zit er hier niet in qua carrière. In Argentinië is het financieel moeilijker, maar daar zou ze misschien in de wijnteelt aan de slag kunnen, en wie weet wat bereiken. Een moeilijke keuze, en ik ben blij dat ik hem niet hoef te nemen. Na lang wikken en wegen heeft Ceci besloten om terug naar Argentinië te gaan. Daar kijkt ze dan wat er gebeurt, en hoe het voelt.
Als afscheidsfeestje had Xavi aan onze Chilenen gevraagd om een schaap te barbecueën op Patagonische wijze, een “Cordero Patagonico”. Van wat vlechtijzer werd een spit gelast, bestaande uit een lang verticaal stuk, en twee kortere horizontale stukken. Bij de slager werd een compleet schaap gekocht, en een aantal van onze vrienden zorgde voor drank en brood en salade. Het was nog even de bedoeling om een levend schaap te kopen, en dat ter plekke te slachten, zoals dat in Chili heel normaal is (en goedkoper, ook niet onbelangrijk), maar de Europese hygiëneregels lieten dat niet toe. Het schaap werd met ijzerdraad op het spit gebonden en het spit werd vervolgens in de grond geslagen, op een halve meter van het vuur. Daarna werd het spit schuin boven het vuur gebogen. Het karkas werd met behulp van een takje met bladeren regelmatig ingesmeerd met Chimichuri, een mengsel van olijfolie, knoflook, zout en bij gebrek aan koriander, peterselie. Daarna moest het schaap twee en een half uur op zijn buik garen, en vervolgens anderhalf uur op zijn rug.
Dit alles vond plaats op een terreintje van de eigenaar van Rubber, Mac, waar altijd de boten te water worden gelaten. Met onder andere een muziekje, een boekje, een drankje, een frisbee en een hangmat werden de vier uren dat het schaap moest garen doorgebracht. Na een half uurtje kwamen onze beste vrienden met de pet die iedereen past ook even kijken, en van iedereen werden de gegevens genoteerd, ook van Jimmy, die hier illegaal is, en hem behoorlijk kneep. We zaten ook even zonder Catalaanse hulp, want alle Catalanen waren net even weg. Richard begreep dat we meteen het vuur uit moesten maken, Marlou begreep juist dat we eerst het schaap mochten klaarmaken, en dat dan het vuur uit moest. We besloten maar om de voor ons gunstigste variant te kiezen, en daar kregen we later van onze Catalaanse vrienden gelijk in. Het was ook de Guardia Civil, en niet de Mossos, en die zijn “Mas Suave”, wat vriendelijker. We zorgden er wel voor dat er niet al te veel rook van het kampvuur kwam, dat was waarschijnlijk de reden dat ze even kwamen kijken.
Toen het schaap zo goed als gaar was arriveerde een blij verraste Ceci, die dacht alleen met haar familie naar een nieuw restaurant in Llavorsi te gaan. Ze kreeg ook nog een Xavi van ballonnen, uiteraard door Marlou gemaakt, compleet met verrassing (Censuur), op die manier kon ze Xavi toch een beetje meenemen naar Argentinë. Voordat het schaap kon worden aangesneden was er nog een verrassingsoptreden van de Mossos, die gelukkig niet wisten van het eerdere bezoek van hun collega’s van de Guardia Civil. Jimmy kneep hem weer behoorlijk, en overdacht volgens mij serieus om de rivier in te springen. De Mossos gaven ons nog 5 minuten om alles af te maken. En na vijf Chileense minuten (ongeveer een half uur) hebben we dat dan ook maar gedaan. Toen kon Ceci het schaap officieel aansnijden en kon iedereen aanvallen. Het duurde meer dan vier uur om het schaap te bereiden, binnen een half uur was het gereduceerd tot een kaalgevreten ruggegraat. Tot ver in het donker werd er vervolgens gegeten, gedronken, gerookt, gepraat en vooral gelachen.
Ik heb er al eerder aan gerefereerd, we doen mee aan een kookgebeuren. In Sort en omstreken wordt veel van het seizoenswerk gedaan door een bonte verzameling van buitenlanders. Onder deze buitenlanders uiteraard Chilenen en Nederlanders, maar we zijn ook al Argentijnen, Fransen, Roemenen, Malinezen, Ecuatorianen, Peruanen, Venezolanen en ga zo maar door tegengekomen. In het verleden schijnen er wel eens problemen te zijn geweest tussen de verschillende bevolkingsgroepen, en daarom werd besloten om iets te organiseren om al deze groepen bij elkaar te krijgen en zodoende de integratie te bevorderen. Daarom wordt al weer voor de vijfde keer het kookfestijn “Dinars del Món” georganiseerd, vrij vertaald: Wereldgerechten. De bedoeling is dat zoveel mogelijk mensen van zoveel mogelijk nationaliteiten een nationaal gerecht klaarmaken. Ongeveer 30 porties. Op de dag van het feest kan iedereen, gewapend met eigen bord, beker en bestek, een kaartje kopen voor € 6,- en mag daarvoor vijf van deze gerechten proeven. Ik wilde natuurlijk asperges klaarmaken, maar het was een beetje moeilijk om een aantal ingrediënten te vinden. Met name asperges. Ook mocht je voor de 30 porties in totaal niet meer dan € 50,- uitgeven, en daar kon ik een retourtje Limburg niet van betalen. Omdat ik altijd al wilde leren hoe je bitterballen moet maken, hebben we daar voor gekozen.
Onze Franse vriend Thomas deed ook graag mee, en hij zou twee vegetarische gerechten maken: Brandnetelsoep en “Pain de Poisson”, letterlijk visbrood. Twee dagen van tevoren, op vrijdag, zouden we alles klaarmaken. De bitterballen zouden we invriezen. Thomas zou ook alvast wat soep maken, en de rest op zaterdag. De meeste boodschappen waren zo gedaan, de brandnetels was een ander verhaal. Gewapend met handschoenen en plastic zakken en ondanks de buitentemperatuur van meer dan 35 graden Celsius gekleed in lange broek, lange mouwen en dichte schoenen, gingen we op pad. Een aantal dagen eerder hadden we tijdens een wandeltocht een plek gevonden waar veel brandnetels groeiden. Het probleem was alleen dat brandnetels met witte bloemetjes eraan niet goed smaken, en gezien de tijd van het jaar waren die in de meerderheid. Verder kun je alleen de topjes gebruiken, de rest is niet lekker. Het duurde dus even voordat de grote boodschappentas vol was. Twee uur later en twee kilo lichter (vochtverlies) konden we weer huiswaarts keren.